Kansenongelijkheid in het onderwijs.


De onderwijsinspectie constateert in het jaarverslag 2014-2015 dat de kansen van leerlingen steeds meer uit elkaar gaan lopen. Dat heeft volgens de inspectie te maken met de toenemende invloed en sturing van ouders (of het ontbreken daarvan), de toenemende verschillen tussen scholen en opleidingen en het sturen op gemiddelden in ons onderwijsstelsel. De toenemende ongelijkheid tussen kinderen met en zonder hoogopgeleide ouders keren, dat is de komende tijd de uitdaging, aldus de inspecteur generaal in een voorwoord. Ik heb zeer veel waardering voor het feit dat de inspectie de moed toont om een ‘lastige waarheid’ als deze te agenderen in onze samenleving. Verschillende wetenschappers, waaronder Thomas Piketty en Theodore Dalrymple, laten keer op keer zien dat ongelijkheid in de westerse samenleving alleen maar toeneemt.

En nu terug naar de inspectie en het onderwijs. Inmiddels heeft de minister een aantal miljoenen beschikbaar gesteld om een halt toe te roepen aan de toenemende kansenongelijkheid tussen leerlingen. Dat lijkt een mooi gebaar. Met het budget kunnen scholen ondermeer leraren vrijmaken die kinderen en ook hun ouders gaan begeleiden. Een nobel streven. Maar het is slechts een pril begin en voornamelijk symptoombestrijding. Het gaat namelijk om een grootschalig en diepliggend sociaal maatschappelijk probleem. Dat los je met onderwijs alleen niet op. Dat is leraren en scholen sterk overvragen en overschatten. Aan het bestrijden van kansenongelijkheid moet een systeemoverstijgende benadering in alle maatschappelijke sectoren ten grondslag liggen.

Ja zeker, onderwijs maakt óók het verschil. De kansenongelijkheid tussen kinderen kan ondermeer vanuit onderwijs aangepakt worden. Zo is bijvoorbeeld niet ieder kind als het op school komt toegerust om optimaal gebruik te kunnen maken van de ontwikkelingskansen die het onderwijs biedt. Kinderen kunnen bijvoorbeeld meer dan gemiddeld last hebben van ontwikkelingstekorten op de executieve functies. Daarbij kun je denken aan emotieregulatie, plannen, taken starten, aandacht richten en vasthouden en werkgeheugen versterken. Het onderwijs spreekt deze functies in kinderen continu aan. Kinderen met van huis uit goed ontwikkelde executieve vaardigheden maken dan ook in de regel optimaal gebruik van onderwijs. Als de executieve functies echter onvoldoende ontwikkeld zijn, bijvoorbeeld door te veel blootstelling aan stress, onregelmatigheid of overprikkeling, is de match tussen wat een leerling kan en wat het onderwijs vraagt niet aanwezig of niet optimaal. Dat is in feite dus kansenongelijkheid. De school kan daar iets aan doen. De pre-frontaalkwab, waar de executieve functies vandaan komen, kan getraind worden. In Amerikaanse literatuur wordt onderzoek gepresenteerd dat succesvolle praktijk toont.

Alle kinderen hebben recht op maximale ontplooiingskansen voor hun potentieel. Scholen kunnen daaraan een mooie bijdrage leveren. Maar dat kunnen ze niet alleen. Daarvoor is zoals gezegd een systeem brede benadering nodig. Het is strikt noodzakelijk dat ook de wetenschap hierbij helpt. Maar ook de overheid. Door bijvoorbeeld het stimuleren van hoogwaardige vorming in de eerste levensjaren van kinderen en het tegengaan van armoede in gezinnen. Er is in het onderwijs behoefte aan kennis om nog beter om te kunnen gaan met verschillen tussen kinderen. Ik weet dat vanuit de wetenschap bezien zo iets als leerstijlen niet bestaat. Maar kinderen verschillen wel zeker in de wijze waarop de zich manifesteren in een klas, hoe ze zich gedragen in leersituaties en in behoeften aan een benadering op maat. Er is nog een wereld te winnen in het adequaat inspelen op die verschillen. En daarmee kan kansengelijkheid versterkt worden. Het onderwijs heeft daarvoor echter veel meer middelen nodig dan de budgetten die OCW nu ter beschikking stelt, hoe positief deze ontwikkeling ook is. Laat ons het lef hebben om hier een operatie voor op te zetten die zich kan meten met de ambitie en impact van het Deltaplan uit de jaren zestig. Nederland moet in staat zijn om deze publieke waarde te scheppen voor de toekomst.

Over de auteur

Harrie van de Ven (1958, Helmond) is zijn loopbaan lang werkzaam in het onderwijs. Hij startte ooit als leraar op de basisschool. Harrie studeerde Pedagogiek en Onderwijskunde. Na een periode in de basisschool werkte hij ondermeer als procesmanager Weer Samen Naar School, Consultant en Trainer, directeur Magistrum, directeur Fontys Hogeschool Kind en Educatie, waarin ondermeer de 5 Fontyspabo’s zijn ondergebracht. Sinds september 2015 werkt Harrie weer in het basisonderwijs als bestuursvoorzitter van Optimus Primair Onderwijs. Circa elke twee weken is de nieuwe blogpost ook te volgen op Twitter.

Deel dit artikel