Over dreigende tekorten aan leraren.


Het lijkt er op dat de samenleving in de gaten begint te krijgen dat in het Primair Onderwijs iets zeer ernstigs aan de hand is. Steeds meer klassen worden naar huis gestuurd, omdat er geen vervangers zijn. En de echte griepmaanden zijn niet eens begonnen. De invalpools zijn leeg. De instroom van nieuwe studenten op de pabo’s is zeer laag. Vergeleken met 2010 stroomde augustus jl. landelijk circa 45% minder nieuwe studenten in. Daarbij komt ook nog dat veel leraren de komende jaren met pensioen gaan. Als alles zo doorgaat zijn er in 2025 zeker 7500 leraren PO te weinig. Dat mag uiteraard niet gebeuren.

Er zijn veel verklaringen voor deze ontluikende ramp. Maar er is volgens mij één verklaring die het meeste hout snijdt. We vertellen vaak dat leraar zijn het mooiste beroep van de wereld is. En de samenleving knikt dan minzaam en gaat vervolgens over tot de orde van de dag. Heel veel mensen willen echter niet in het onderwijs werken. Ze kiezen er gewoonweg niet voor. Belangrijke redenen daarvoor zijn het te lage salaris, de hoge werkdruk, de torenhoge maatschappelijke verwachtingen en het feit dat deze samenleving geen absolute prioriteit legt bij goed onderwijs. Het onderwijs is te zeer een dienstverlenende organisatie geworden waarbij ouders en overheid zich als klant gedragen.

Dat klantgedrag is non-productief en ondermijnend. Overheid en ouders en samenleving zijn direct belanghebbenden. Ze dienen zich dan ook betrokken en bijdragend te gedragen. Hun gedrag en bijdrage horen toe te voegen aan en aan te sluiten bij de door het onderwijs beoogde maatschappelijke opbrengsten. Het moet niet alleen de leraar zijn die ‘levert’.

Er zijn ook goede ontwikkelingen te melden. Het niveau van de pabo is verbeterd. Er komen meer mannen naar de opleiding. Leraren tonen zich als beroepsgroep meer zelfbewust. PO-in actie is daarvan een goed voorbeeld. We gaan het alleen hiermee echter niet redden. Allereerst is nodig dat het onderwijs een betere verwachting richting de samenleving ontwikkelt. Om te beginnen door duidelijk te maken waar het onderwijs wel en niet aan werkt. Weg met maatschappelijke agenda’s die de scholen in gekieperd werden. Ze werken als buitenboordmotoren en zuigen energie van teams weg. Meer van minder is het devies. Terugkeer naar de kerntaken van onderwijs is nodig. Ook moet het salaris marktconform worden en blijven. De-professionalisering van leraren kan niet genoeg bestreden worden. Hun expertise mag niet betwijfeld worden door de overheid, de ouders, besturen enz. Deze twijfel leidt namelijk tot allerlei vervreemdende en tijdrovende procedures en toestanden, maar ook tot stress en werkdruk. Leraren hebben voldoende professionele ruimte nodig om te werken aan hun kerntaak.

Het aantal contacturen in het basisonderwijs moet omlaag zodat voldoende ruimte komt om onder meer onderwijs voor te bereiden en te ontwikkelen, de ontwikkeling van kinderen nog beter in beeld te krijgen en de praktijk te onderzoeken en te verbeteren. Als de lonen stijgen, als de samenleving de leraar vertrouwt en als scholen de balans tussen uitvoering, voorbereiding en onderwijsontwikkeling verbeteren, zullen meer mensen in grotere betrekkingsomvang in het onderwijs willen werken.

Om op de korte termijn tekorten aan te pakken zijn stevige interventies nodig. Enkele suggesties. Afgestudeerden van andere aanverwante opleidingen, zoals Pedagogiek, kunnen terecht in zij-instroomtrajecten. Deze trajecten mogen maximaal 2 jaar duren en worden bijna duaal  (80% op de opleidingsschool en 20% op de opleiding) en met salaris uitgevoerd.  Vierdejaars Pabo studenten verblijven met salaris fulltime op de opleidingsschool en werken aan hun opleiding met behulp van blended learning (een methodiek waarbij gewerkt wordt met elektronische leeromgevingen en weinig fysieke contacttijd). De voltijdse Pabo opleiding wordt voor daartoe geselecteerde studenten teruggebracht naar 3 jaar. Onderwijsassistenten worden na een  assessment aangenomen, volgen eerst een associate degree (MBO-plusniveau) en behalen later de bevoegdheid van leraar basisonderwijs. De stille reserve, afgestudeerden van de jaren 2007 -2014 die geen baan vonden en in andere sectoren werken, kunnen geworven worden.  En zo zijn er nog legio andere oplossingen te bedenken.

Het is wellicht overbodig om te zeggen, maar toch. Er kan dus geen enkele concessie gedaan worden aan de kwaliteit van het leraarschap en onderwijs. En dat is wat we in ons land nog veel beter voor ogen moeten houden.  Hannah Arendt verwoordt het aldus: Onderwijs is het moment waarop we besluiten of we genoeg van de wereld houden om de verantwoordelijkheid ervoor te nemen en haar bovendien te behoeden voor de ondergang, die onvermijdelijk is als we niet voor vernieuwing, voor de komst van wat nieuw en jong is zorgen…..’ Dat is wat nodig is, samen onze verantwoordelijkheid nemen: opleidingen, werkgevers, scholen, leraren en schoolleiders, ministerie, PO Raad en allen die er zijn voor goed onderwijs.

Over de auteur

Harrie van de Ven (1958, Helmond) is zijn loopbaan lang werkzaam in het onderwijs. Hij startte ooit als leraar op de basisschool. Harrie studeerde Pedagogiek en Onderwijskunde. Na een periode in de basisschool werkte hij ondermeer als procesmanager Weer Samen Naar School, Consultant en Trainer, directeur Magistrum, directeur Fontys Hogeschool Kind en Educatie, waarin ondermeer de 5 Fontyspabo’s zijn ondergebracht. Sinds september 2015 werkt Harrie weer in het basisonderwijs als bestuursvoorzitter van Optimus Primair Onderwijs. Circa elke twee weken is de nieuwe blogpost ook te volgen op Twitter.

Deel dit artikel