Het onderwijsverslag 2016-17 en lezen


Het onderwijsverslag ‘De staat van het onderwijs 2016-2017’ is weer beschikbaar. Altijd interessant om een macro-beschouwing over de kwaliteit van het onderwijs vanuit het perspectief van de inspectie te lezen. Het onderwijsverslag 2015-2016 heb ik met plezier gelezen. De inspectie belichtte zeer duidelijk een element dat we niet graag zien: de toename van kansenongelijkheid ook in het Nederlands onderwijs. De inspectie stak haar nek uit en deelde feiten op een heldere erudiete wijze.

Het verslag 16-17 is weer van een ander kaliber. De constateringen zijn feitelijk uiteraard zeer juist. De onderliggende verklaringen zijn echter van de gemakkelijke soort. Ze bieden als het ware al een basisstructuur voor schreeuwende krantenkoppen. Zoiets als: ‘Het Nederlands onderwijs kachelt verder achteruit. Er is een gebrek aan ambitie en… laat ons morgen aan de slag gaan’. Stevige taal, dat wel. Kachelt het Nederlands onderwijs achteruit? Is er een gebrek aan ambitie? Ik zie het eerlijk gezegd niet. Neem lezen bijvoorbeeld. De leesopbrengsten, aldus wordt gerapporteerd, zijn de afgelopen 20 jaar achteruit gegaan. Echter de daling hebben we al lang achter ons. Die was bij de PIRLS meting in 2001. Sindsdien is Nederland bij de metingen in 2006, 2011 en 2016 op het vlak van lezen niet meer achteruit gegaan. Dus 15 jaar consolidatie. Nederland scoort nog steeds bovengemiddeld. Maar, we dalen in de rankings naar plek 14 omdat er nieuwe landen bijgekomen zijn en omdat een aantal landen wel een stijging in de leesopbrengsten vertoont. Dat is een genuanceerder beeld dan het beeld dat we al 20 jaar dalen denk ik. Het verschil tussen de 5% zwakste en de 5% sterkste lezers is nergens zo klein als in Nederland. Op zich kan dat ook iets positiefs zeggen over de kwaliteit van ons leesonderwijs.

Lezen is een zeer belangrijke elementaire culturele vaardigheid waarvan ook de burgers van de 21e eeuw sterk afhankelijk zijn. Daarom vereist lezen op de basisschool veel aandacht. Te veel kinderen verlaten de basisschool nog met een te laag leesniveau. Dan is er een gerede kans op later intredende laaggeletterheid. Dat moet je als informatiemaatschappij niet willen. Ook zijn er te veel leerlingen met een dyslexieverklaring. Landelijk ongeveer 12%. Dat is voor een deel het gevolg van een te geringe kwaliteit van instructie en inoefening in het leesonderwijs. Dat kan en moet natuurlijk beter. Lezen hoort gedurende de gehele basisschooltijd aandacht te krijgen. Ook als kinderen de basisvaardigheden en zelfstandig lezen onder de knie hebben moeten ze ondersteund worden om te blijven lezen. Snow en Moje (2010) hebben voor het te vroeg loslaten van de leerlingen dan ook de term ‘inoculation fallacy’ gemunt.

Uit de PIRLS onderzoeken blijkt helaas ook dat Nederlandse leerlingen steeds minder plezier krijgen in lezen. Het afbladderen van leesbeleving is een kwaliteitsrisico. Er zijn nog genoeg uitdagingen om het leesonderwijs te verbeteren. Veel schoolbesturen, waaronder Optimus, hebben daartoe ook de ambitie. Op veel scholen is een aantrekkelijk aanbod van boeken voor de kinderen. Veel kinderen krijgen haast dagelijks de gelegenheid om vrij te lezen. Op veel scholen wordt tot en met groep 8 aandacht besteed aan het lezen van de kinderen en de leesbeleving. Het dyslexiepreventie-programma “Bouw’ wordt steeds vaker ingezet. Wellicht mogen de verwachtingen naar de leerlingen nog wat explicieter uitgesproken worden en mag her en der de lat omhoog. Tja en soms is lezen nog niet leuk. Maar oefening baart kunst. Competentiebeleving werkt ook bij kinderen die meer moeite hebben met lezen uitstekend en versterkt autonomiegevoelens.

Het vak lezen omvat veel theoretische conceptualiteit. Wellicht dat die de droge cijfers in het volgende onderwijsverslag wat kan aanvullen. Er is materiaal genoeg. Zie bijvoorbeeld ‘vijftien jaar leesprestaties in Nederland’ (PIRLS 2016) van Gubbels, Netten en Verhoeven. Of ‘onwillige lezers’ uitgebracht door de Stichting Lezen. Ik zie er naar uit.

Over de auteur

Harrie van de Ven (1958, Helmond) is zijn loopbaan lang werkzaam in het onderwijs. Hij startte ooit als leraar op de basisschool. Harrie studeerde Pedagogiek en Onderwijskunde. Na een periode in de basisschool werkte hij ondermeer als procesmanager Weer Samen Naar School, Consultant en Trainer, directeur Magistrum, directeur Fontys Hogeschool Kind en Educatie, waarin ondermeer de 5 Fontyspabo’s zijn ondergebracht. Sinds september 2015 werkt Harrie weer in het basisonderwijs als bestuursvoorzitter van Optimus Primair Onderwijs. Circa elke twee weken is de nieuwe blogpost ook te volgen op Twitter.

Deel dit artikel